BASSIN SEDIMENTAIRE PDF

Mem Moreover, a High Resolution Biostratigraphy summary including micropaleontology, nannopaleontology and palynology distributions relating to each offshore basin is needed for sequences correlations and entire harmonization of the stratigraphic nomenclature of these offshore basins. Selon Pothin et al. The porosity may be related to diagenesis after being dessoluted. Le sommet est essentiellement argileux.

Author:Vosida Samugor
Country:Nepal
Language:English (Spanish)
Genre:Medical
Published (Last):11 April 2005
Pages:270
PDF File Size:15.37 Mb
ePub File Size:18.48 Mb
ISBN:891-1-34517-464-1
Downloads:77150
Price:Free* [*Free Regsitration Required]
Uploader:Fenrilrajas



Soorten[ bewerken brontekst bewerken ] Conglomeraat is een klastisch sedimentair gesteente dat voornamelijk afgeronde , grove klasten bevat. Sedimentaire gesteenten kunnen in een paar hoofdgroepen worden ingedeeld. Dit kan gebeuren op basis van chemische samenstelling, de opbouw en textuur of de ontstaanswijze. In de praktijk wordt een combinatie van al deze eigenschappen gebruikt om de soort te bepalen. Voorbeelden van klasten zijn in volgorde van korrelgrootte klei , silt , zand of grind.

Door consolidatie kunnen deze losse sedimenten veranderen in respectievelijk schalie , siltsteen , zandsteen of conglomeraat. Gesteenten die uit klasten bestaan worden klastische sedimentaire gesteenten genoemd. Klasten zijn meestal deeltjes die door verwering en erosie gevormd werden. In het eerste geval worden de klasten detritus genoemd en kan het sedimentair gesteente ook een detritisch sedimentair gesteente genoemd worden.

Bij alle bovenstaande voorbeelden gaat het bovendien om deeltjes die bestaan uit silicaatmineralen , die men siliciclastica noemt. Men spreekt daarom ook weleens van siliciklastische gesteenten. Voor bijna alle siliciklastische gesteenten geldt dat de klasten getransporteerd werden voor ze werden afgezet. De bron van siliciclastica zijn continenten waar erosie plaats kan vinden. Hoe verder van het land af, hoe kleiner de kans wordt siliciklastische gesteenten aan te treffen.

Carbonaatgesteente[ bewerken brontekst bewerken ] Sedimentair gesteente kan behalve uit silicaten ook uit carbonaatmineralen bestaan; zulk gesteente wordt carbonaatgesteente genoemd. De meest voorkomende carbonaatmineralen zijn calciet , aragoniet en dolomiet.

Een gesteente dat grotendeels uit calciet bestaat wordt kalksteen genoemd, een gesteente dat uit dolomiet bestaat wordt dolosteen genoemd. Ook carbonaatgesteente kan detritisch zijn, het bestaat dan uit klasten opgebouwd uit carbonaten. Carbonaatgesteente kan echter ook biogeen zijn, dat wil zeggen dat het door organismen is gevormd.

Voorbeelden van organismen die kalksteen vormen zijn koralen en kalkalgen. Biogeen carbonaatgesteente wordt vrijwel alleen in de zee gevormd. Een derde groep zijn de chemische carbonaatgesteenten. Dit gesteente ontstaat door neerslag van carbonaatmineralen. Voorbeelden van dit type zijn travertijn en caliche. Organogeen sedimentair gesteente[ bewerken brontekst bewerken ] Sedimentair gesteente kan vrijwel volledig uit organisch materiaal bestaan, het wordt dan organogeen sedimentair gesteente genoemd.

Zulke gesteenten vormen zich door de ophoping van de resten van organismen, meestal planten. Deze resten worden geen sediment maar sedentaat genoemd, omdat ze ter plaatse ontstaan en niet getransporteerd worden.

Het materiaal dat hiermee gevormd wordt heet veen. Als veen langdurig wordt blootgesteld aan hoge temperatuur en druk verandert het in bruinkool en daarna achtereenvolgens in steenkool , antraciet en grafiet. Evaporiet[ bewerken brontekst bewerken ] Sedimentair gesteente dat ontstaat door verdamping van water heet evaporiet. Evaporiet kan bijvoorbeeld gevormd worden in gebieden met een droog klimaat , wanneer daar in afgesloten oppervlaktewater meer water verdampt dan er binnen vloeit.

De concentratie van de in het water opgeloste mineralen stijgt dan tot het water verzadigd raakt en de mineralen een voor een neerslaan. Het neerslaan zal, uitgaande van de gemiddelde samenstelling van zeewater, al beginnen als tien procent van het water is verdampt. Naarmate meer water verdampt volgen ook mineralen die beter oplosbaar zijn.

Meestal bestaan evaporieten uit verschillende mineralen, waarvan haliet , sylviet , gips en anhydriet de meest voorkomende zijn. Vulkanisch sedimentair gesteente[ bewerken brontekst bewerken ] Door vulkanisme wordt behalve stollingsgesteente bijvoorbeeld in de vorm van lava , vloeibaar materiaal dat aan het oppervlakte stolt ook sedimentair gesteente gevormd. Dit zogenaamd pyroclastisch gesteente ontstaat uit het materiaal dat bij erupties de lucht in wordt geschoten tefra en op het oppervlakte neervalt.

Voorbeelden zijn ignimbriet , tufsteen en puimsteen. Tefra is bij neerkomen vaak nog zo heet, dat de fragmenten direct aan elkaar vast kitten. De lithificatie gaat bij pyroclastisch gesteente dus zeer snel. Ontstaan[ bewerken brontekst bewerken ] Zie sedimentatie voor het hoofdartikel over dit onderwerp. Sedimentaire gesteenten ontstaan door het bezinken en ophopen van sediment. De aard van het sediment hangt af van het afzettingsmilieu en de hoeveelheid sediment die wordt aangevoerd.

Sommige sedimentaire gesteenten bestaan uitsluitend uit ter plekke gevormd materiaal, bijvoorbeeld evaporieten. Sediment kan ook door wind, water, massabeweging of landijs van elders zijn getransporteerd voordat het bezonk.

Het gebied waaruit het sediment afkomstig is wordt het achterland genoemd. In het achterland verbrokkelde het gesteente door verwering en erosie tot kleine deeltjes die getransporteerd konden worden. Uit welk type materiaal het afgezette sediment bestaat is niet alleen afhankelijk van het soort gesteente dat in het achterland aanwezig was, maar ook van de methode van transport en het klimaat waaronder het materiaal in het achterland kon verweren.

De omgeving het klimaat en de geografische ligging waarin een sediment werd afgezet wordt het afzettingsmilieu genoemd. Elk afzettingsmilieu heeft een karakteristieke combinatie van geologische processen en omstandigheden. Welk type sediment wordt afgezet wordt behalve door de aanvoer van sediment ook door het afzettingsmilieu bepaald.

Er wordt een tweedeling gemaakt tussen diep marien en ondiep marien, waarbij de grens bij ongeveer m diep water gelegd wordt. Ondiep-mariene-milieus komen voor van de kust tot de randen van het continentaal plat. In ondiep water komt veel meer stroming voor dan in diep water, als gevolg van golfwerking. Bijgevolg is het sediment daar normaal gesproken grover dan in diep-mariene-milieus.

Typisch voor ondiep-mariene-milieus is een afwisseling van zand , klei en silt. Verder uit de kust is de aanvoer van zulk materiaal doorgaans gering. In dergelijke omstandigheden zijn de processen die kunnen bepalen welk gesteente gevormd wordt overwegend biochemisch van aard. Door de bezinking van deze skeletjes kan kalkslib afgezet worden, dat later wordt omgezet in kalksteen. Ook kunnen in zulke omstandigheden riffen voorkomen waar het sediment bestaat uit de kalkskeletten van grotere organismen.

Typische sedimenten in diep-mariene-milieus zijn zeer fijne klei en skeletjes van micro-organismen. Deze diepte wordt de lysocline genoemd. Onder de lysocline kunnen geen kalkhoudende sedimenten meer worden gevormd. Bepaalde micro-organismes, die hun skeletjes uit silica opbouwen, bezinken nog wel. Wanneer de zeebodem niet geheel vlak is, zoals op een continentale helling , kunnen af en toe troebelingsstromen voorkomen, die grote hoeveelheden sediment in korte tijd aanvoeren van gebieden hoger op de helling.

Vanwege de toegenomen stroomsnelheid kunnen hiermee ook grovere sedimenten worden afgezet, zoals zand en silt. Een op die manier gevormde opeenvolging van sedimentair gesteente wordt een turbidiet genoemd. Op een strand worden vooral zand en grind afgezet, gemengd met fragmenten van schelpen. Wadden en zandbanken kunnen afhankelijk van het getijde soms droogvallen. Ze worden doorsneden door geulen , waar de stroming sterker is en het afgezette sediment grover.

Van een op het land gevormd sedimentair gesteente wordt gezegd dat het een continentaal of terrestrisch afzettingsmilieu heeft. Voorbeelden zijn lagunes , meren, moerassen , spoelvlaktes van rivieren en puinwaaiers. In stilstaand water, zoals in moerassen, meren en lagunes, worden fijne sedimenten afgezet, gemengd met organisch materiaal bestaande uit de resten van dode planten en dieren.

Stromend water, zoals in rivieren, voert meer klastisch sediment aan. Sediment dat door landijs, massabewegingen of de wind is afgezet heeft minder blootgestaan aan water en kan daardoor minder sterk verweerd zijn. Vaak komen verschillende afzettingsmilieus naast elkaar voor in een natuurlijke opeenvolging.

Zo zullen in een strand zand en grind afgezet worden, maar wat verder uit de kust kan in een rustigere omgeving tegelijkertijd fijner sediment afgezet worden. Achter het strand kan een lagune liggen waar klei en organisch materiaal afgezet worden.

In elk afzettingsmilieu wordt een ander soort gesteente gevormd. Een gesteente dat bij een bepaald afzettingsmilieu hoort wordt een sedimentaire facies genoemd. In een pakket sedimentair gesteente kunnen facies geleidelijk in elkaar overgaan. Als een gesteentelaag van een bepaalde ouderdom gevolgd wordt, zal men het soort gesteente langzaam zien veranderen. Facies kunnen op verschillende manieren worden onderscheiden: op lithologie het type gesteente, bijvoorbeeld kalksteen, siltsteen of zandsteen en op fossieleninhoud.

Koraal leeft bijvoorbeeld alleen in warm en ondiep zeewater, zodat het voorkomen van fossiel koraal op een bepaald afzettingsmilieu wijst. Het eerste wordt lithofacies genoemd, het tweede biofacies. Kustlijnen kunnen verschuiven wanneer het zeeniveau stijgt of daalt, door tektonische beweging van de aardkorst of wanneer een rivier zijn delta uitbouwt.

Dit zal terug te zien zijn in de opeenvolging van gesteentelagen die worden gevormd, want de sedimentaire facies bewegen mee.

Zo kunnen verschillende facies zowel naast als boven elkaar terug te vinden zijn, een verschijnsel dat Walthers faciesregel wordt genoemd. Diepere facies zullen dan over ondiepere kunnen worden afgezet, een dergelijke opeenvolging wordt onlap "dakpansgewijze ligging" [10] genoemd.

Als de kustlijn richting zee verschuift, kunnen ondiepere facies over diepere heen worden afgezet, dit wordt offlap "terugwijkende bedekking" [10] genoemd. De ligging van de facies kan voor elke ouderdom in kaart gebracht worden. Deze kaarten geven een overzicht van het veranderen van de paleogeografie. Een gebied waarin grootschalig sedimentatie plaatsvindt wordt een sedimentair bekken genoemd. De hoeveelheid sediment die kan bezinken hangt af van de diepte van het bekken, de zogenaamde accommodatieruimte.

De diepte, vorm en grootte van een bekken worden bepaald door de tektoniek , de grootschalige beweging van de lithosfeer. Op plekken waar de lithosfeer omhoog beweegt tektonische opheffing kan op den duur erosie plaatsvinden, zodat deze gebieden een achterland voor sediment worden. In gebieden waar de lithosfeer daalt tektonische daling zal een bekken ontstaan, waar sedimentatie plaats kan vinden.

Op plekken waar twee delen van een continent uit elkaar beginnen te bewegen ontstaan riftbekkens. Onder een riftbekken komt in het binnenste van de aarde heet materiaal omhoog, waardoor de lithosfeer verwarmd wordt.

ASTM D3195 PDF

Histoire géologique du Bassin Parisien

Citations are based on reference standards. View Full GeoRef Record. Development, Controls and Petroleum Systems. Please enter the message. Preview this item Preview this item.

ENCOFRADOS DOKA PDF

Bassins sédimentaires

.

Related Articles